Hoe bereid ik mijn bestanden voor drukwerk voor?

Fotograaf behandelt soms klant als was deze een inkjetprinter

Gepubliceerd: 14 oktober 2014

portret van Jurriaan NijkerkOndanks dat er tegenwoordig veel digitaal wordt gepubliceerd is er zeker nog de vraag naar fotografie voor drukwerk. Waar vroeger een dia, of zelfs een negatief of afdruk werd afgeleverd en de lithograaf wat alchemistisch-geheimzinnige bewerkingen deed alvorens er werd gedrukt is de fotograaf nu zelf ook gaan drukken. En is vanuit die ervaring geneigd zijn klant net zoals zijn inkjetprinter te behandelen, die klant moet een hapklaar brok krijgen 'want de klant weet niks'. Het volgende verhaal gaat, hoewel niet al te diep, in op wat er in basis bij foto's voor drukwerk komt kijken.

Verband tussen grootte en resolutie, PPI als eenheid

Digitale fotografie werkt met pixels. In drukkerijen wordt met rasters gewerkt. En zo ontstond de grote misvatting. Fotografische resolutie uitdrukken in DPI. Maar daarover later.

Bestanden hebben een bepaalde grootte. Hoe groter je het bestand af wilt drukken, hoe groter het bestand zal moeten zijn. Wanneer je een postzegel moet drukken zul je waarschijnlijk aan 300x400 pixels ruim genoeg hebben.

De eenheid PPI van een bestand doet eigenlijk niet ter zake. Dit is uitsluitend een maat die regelt hoever de paaltjes (de pixels dus) van het hekje uit elkaar staan. De eenheid PPI zegt alleen maar hoeveel pixels er op een inch worden geplaatst. PPI, oftewel pixels per inch.

Ga ik bij de postzegel uit van een bestand van 300x400 pixels dan krijgt de postzegel bij 300 PPI (pixels per inch en een inch is 2,54 cm) een grootte van 2,54 x 3,39 cm.

view counter

Een A4 kun je er niet van drukken. Probeer je dat toch, dan staan op de breedte van de A4 (20,7 cm = 8,15 inch) dan 300 : 8,15 = 36 pixels per inch. Dus dan heb je de pixels op 36 PPI verdeeld.

Voor die A4 zul je op de korte zijde (21 cm = 8,27 inch) bij 300 ppi een bestand van 8,27 x 300 pixels = 2481 pixels nodig hebben, voor de lange zijde (29.7 cm = 11,69 inch) 11,69 x 300 pixels = 3507 pixels nodig hebben. Het bestand moet dus 2481 x 3507 pixels groot zijn.

Overigens is PPI alleen maar een 8 bits woordje in hex in de metadata van het bestand. Laat je het bestand van 2481 x 3507 pixels als tiff of jpeg uit je camera komen bij 72 ppi, dan krijg je een beeld dat nog steeds 2460 x 3480 pixels groot is, gemakkelijk te controleren.

Fotografen doen de 'voorbereiding' alvast voor de drukker, 'want dat is handig'.

Omdat ontwerpers en layoutmensen de beelden altijd iets aansnijden of soms zelfs willen uitvergroten is het volslagen overbodig en ook onzinnig om zelf de grootte en de resolutie te gaan berekenen, omdat dit er voor de lay outman totaal niet toe doet. Het beste is om je maximale grootte in pixels af te leveren, voor mijn part in 36 ppi of in 600 ppi, dat maakt niets uit. Dan kan degene die na je komt de grootte zelf aanpassen, dat is zijn vak, ga 'm daar niet bij in de weg zitten.

Het precies aanpassen aan de gewenste afmeting lijkt een beetje op: 'Dokter, dat been moest er toch af, dus heb ik 'm maar alvast afgezaagd, het scheelt u werk en hij past wat beter op de operatietafel...'

Ik heb zelfs een aantal fotografen op deze wijze klanten zien verliezen omdat het opnieuw opzenden van bestanden of gepruts in de marge uit tijdnood alleen maar extra tijd en ergernis kost. Dus ben je in de ogen van de opdrachtgever en de mensen die na jou komen 'een waardeloze fotograaf' omdat je iets levert waar in veel gevallen niemand écht meer iets mee kan.

Zelfs wanneer de foto een A5-je zou moeten bestrijken, dan nog zou je deze zo groot mogelijk moeten aanleveren omdat de art director of de grafisch vormgever het wel eens in zijn creatieve hoofd zou kunnen krijgen er een fullspread van te maken. Dat gaat nooit meer lukken wanneer je een postzegeltje of mogelijk een iets groter bestand op maat gaat aanleveren, hoe subliem de kwaliteit ook moge zijn... Tenzij ze zelf om een piepklein bestand op maat vragen, maar dat heb ik in 20 jaar digitaal fotograferen voor drukwerk hoogst zelden mogen beleven.

Een opmerking terzijde: de opvatting van sommige fotografen dat ze worden beoordeeld op een precieze aanpassing van het bestand is onjuist, het is niet de taak van de fotograaf om te zitten prutsen maar wel om een goed beeld aan te leveren. Waarmee deze mogelijk zelfs een of andere Award wint, de jury let nu eenmaal niet op PPI's.

Grote denkfout en verwarring

Voor wie het steeds ontgaan mocht zijn: Er is een verschil tussen DPI en PPI. DPI, dots per inch is het aantal inktwolkjes dat een inkjetprinter op het papier moet spuiten voor een goede inkjetdruk. Meestal 1440 tot 2880 DPI voor kwaliteitswerk.

De eenheid waar de fotograaf mee werkt, het bestand dat uit zijn camera komt, heeft pixels en geen inktwolkjes. Tenslotte zou je er ook je garantie mee verspelen wanneer je probeert inkt uit de camera te krijgen...

Ik hoor de klok luiden, maar de klepel zie ik niet

Halftoon (foto's) zonder meer drukken is onmogelijk. Er is namelijk of wél inkt op het papier (zwart), ofwel géén inkt (wit). Zou je het toch proberen dan krijg je een merkwaardig effect. Leg maar eens een foto op een kopieermachine.

In de grafische industrie gebruikt men een raster om toch halftoon te kunnen drukken. Een raster is een patroon van fijne puntjes waardoor een beeld of foto gedrukt kan worden. Vroeger werd een raster gemaakt door een opname van het origineel te maken door een glazen plaat waarin elkaar loodrecht kruisende lijnen zijn aangebracht. Later met contactfilms en tegenwoordig met een raster image processor (RIP) die het beeld omzet via een beschrijvende beeldtaal (PDF, Postscript e.d.) naar een gerasterde bitmap.

Bij het rasteren krijgen donkere partijen een grote punt, de lichte partijen krijgen een kleine punt. Tegenwoordig kan een raster ook via een scanner (digitaal) of een printerdriver (daar zit ook zo'n ding in) op maat worden gemaakt.

Voor standaard offsetdrukwerk wordt raster 54 gebruikt, maar in toenemende mate wordt de rasterfijnheid opgevoerd, via raster 60, naar raster 70 (kunstdruk).
Raster 54 = 54 lijnen per centimeter ofwel 135 lijnen per inch.
In boekdruk wordt doorgaans gedrukt met raster 48 (120 lijnen per inch).

In diepdruk is gebruikelijk te werken met minimaal raster 60 (150 lijnen per inch) oplopend tot raster 160 (400 lijnen per inch). Helaas is diepdruk te duur voor kleine oplagen. Dit geldt in hogere mate voor rotatiediepdruk, je moet om rendabel te kunnen werken ten opzichte van een vellenpers een oplage draaien van 100.000+.

Vierkleurendruk rastersKranten worden gedrukt tot maximaal raster 40, vaak kleiner, met raster 32 of zelfs raster 25. Dit heeft te maken met puntverbreding, omdat papier inkt opzuigt, en wel in alle richtingen. Raster 100 op krantenpapier levert een vies donkergrijs vlak op. Behalve op vellenpersen bij kleine oplagen (zoals bij het dorpssufferdje) worden kranten overwegend op rotatieoffsetpersen gedrukt.

In een halftoondruk moet er altijd wat wit tussen de puntjes blijven. Anders krijg je ondefinieerbare 'dichtgelopen' vlakken en heeft rasteren weinig zin gehad.

Wanneer je nu doordenkt begrijp je ook waarom een overbelichte opname, waarbij de hoge lichten boven RGB 252-252-252 komen, volslagen ongeschikt zijn voor drukwerk. Waar niets is kun je namelijk ook niets meer maken. Wanneer je zou smokkelen door in de hoge lichten de waarden te verlagen naar RGB 250-250-250 heb je geen wit meer en vergrauwt je beeld, doe je niets dan het 'vreet het uit'. Natuurlijk kun je met extra lagen nog wat redden, dan moet je vaak 'lenen' uit andere foto's. Erg oncomfortabel, kost extra tijd en meestal wordt het erg onnatuurlijk.

Rasterstanden

Om interferentie (moiré) te voorkomen worden de verschillende kleurrasters in bepaalde hoeken ten opzichte van elkaar gelegd. Wanneer je drukwerk onder een loep bekijkt kun je dit duidelijk zien.

Behalve de rasters die algemeen zijn en uit puntjes bestaan zijn er nog de kornrasters, deze zijn wat minder fraai en worden soms in kopieermachines gebruikt, maar een grijsverloop gemaakt in een kornraster ziet er eigenlijk niet uit. En natuurlijk is er het prachtige Agfa kristalraster. Een zogenaamd Grijstrap, boven als halftoon, onder als kornraster'stochastisch' raster, dat wil zeggen dat het uit door toeval bepaalde amorfe en willekeurig gerangschikte punten bestaat. Hiermee krijg je een hele mooie heldere toonwaardeweergave en het is minder grauw dan een rasterhalftoon.

Welke bestandsgrootte moet ik aanleveren voor drukwerk?

In de analoge tijd werd er gescand. De scanoperator vroeg, terwijl hij zijn sjekkie uit de mond haalde en een slok van zijn koffie nam, of je een bestand van 25 of van 50 Mb wilde hebben. Over PPI werd daar nooit gesproken. Omdat de resolutie niet vastlag voor alle te drukken foto's, er kwam nog een lay-outafdeling achteraan. Voor drukken met een fijn raster en full spreads kom je met een 50 Mb bestand goed uit, voor drukken van een pagina of illustraties is 25 Mb dan al voldoende. En dan heb ik het over een TIFF, niet over een Jpeg. ;-).

Hoe het grote misverstand kon ontstaan

Het eeuwige misverstand, waar zelfs camerafabrikanten en softwareboeren de fout mee in gaan is de taalkundige verwarring. Internationaal is vastgelegd dat in de fotografische workflow met pixels wordt gewerkt en dat daarom de uitvoerresolutie wordt uitgedrukt in het aantal pixels bij een bepaalde lengte-eenheid. Dus geen chocoladerepen per inch, geen suikerspinnen per inch, geen mooie vrouwen per inch, maar pixels per inch. Je hebt geen inktpunten of kleurstofwolkjes voor je, maar doodgewone digitale pixels.

BayerpatroonAlleen op het moment waarop je als fotograaf foto's print heb je met dots per inch te maken: de inktwolkjes die op papier worden gespoten. Voor fotokwaliteit kun je dat instellen in de printerdriver op 1440 of 2880 dots per inch (DPI). Maak hier ook niet de fout om voordat je het bestand invoert bij je inkjet dit te converteren naar CMYK (ja echt, niet te geloven, ik heb het zien gebeuren...) maar laat dat over aan je printerdriver, die is er voor gemaakt.

Nu gaan wij naar het raster. Rasterpunten is een Nederlandse term, in Frankrijk heeft men het over 'point de trame', in het Duits over 'Rasterpunkt' en in het Engels over 'screen dot'. En omdat wij het bij printers over DPI hebben en de Engelsen het woordje DOT ook voor de rasterpunt gebruiken, ontstond het misverstand.

Er zijn mensen die zich afvragen waarom je op 300 PPI moet aanleveren. Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat je pixel overeen kan komen met de rasterpunt. Echter, dat kan helemaal niet. Al was het alleen al omdat je rasters gedraaid staan ten opzichte van elkaar en pixels gewoon in een Bayerpatroon, honigraatpatroon of at-random patroon staan.

De beeldpixels moeten worden vertaald in drukrasterpunten. Daarom moet je resolutie in PPI altijd de drukresolutie in DPI 'overlappen' om kwaliteitsverlies te voorkomen. Was dit niet zo dan kon je gewoon voor kwaliteitsdrukwerk raster 70 een foto op 70 PPI aanleveren. En de meeste fotografen weten onderhand uit ervaring (of uit grafische kennis) dat dit niet werkt.

Schoenmaker blijf bij je leest en houd je vakkennis op peil

afbeelding 2De fotograaf dient zich niet te bemoeien met de grafische industrie die na hem komt. Of hij moet drukker worden, hetgeen in deze tijd waarin de ene drukker naar de andere de geest geeft, niet erg slim is. Hij heeft zich niet te bemoeien met inkt, papier en andere zaken. Bij de fotograaf hoort een CMYK omzetting ook niet thuis. Je weet namelijk niet wat het eindprofiel is. En op welke pers het wordt gedrukt. En er zullen toch nog minimaal twee conversies moeten plaatsvinden in de workflow. In CMYK verlies je daarbij altijd data en kan er niets gecorrigeerd worden zonder kwaliteitsverlies.

Bij het Vlaams Innovatiecentrum voor Grafische Communicatie (VIGC) in Turnhout ontdekte Eddie Hagen een aantal jaren geleden dat het een kwaliteitswinst opleverde om pas nét vóór de druk naar vierkleuren te converteren. Je kunt dan tevens zonder zichtbaar kwaliteitsverlies met 10% minder inkt drukken. Helaas zijn de drukkers eigenwijs. In deze ideale workflow is het uiteraard gespeend van enige relevantie de bestanden 'aan te passen' voor de klant, op wat voor wijze dan ook. Dat gaat meestal op straffe van kwaliteitsverlies. Of zoals Eddie het in 2012 formuleerde op de stand op de Print/EasyFairs vakbeurs  in Brussel tegenover iemand van het toenmalig Grafisch Weekblad: 'Je moet opletten met oude waarden...'

Eigenwijs

Fuji X-trans CMOS sensorHet begrip eigenwijs geldt ook voor veel fotografen, helaas. Hoeveel kalibreren er niet met een witpunt van 6500 Kelvin (D60) terwijl de grafische industrie voor workflow (ISO 12646) en voor beoordeling (ISO 3664) dwingend D50 (5000 Kelvin bij een kleurindex van minimaal 98) voorgeschreven krijgt? De kleurindex die de lampenhandelaar vaak vergeet of vaak gemakshalve 'vergeet' te vermelden. Hoeveel fotografen werken er niet met een ICC profiel dat niet geschikt is voor D50 maar op D65 is gebaseerd, zoals Adobe RGB 1998 (inderdaad, nog stammend uit de vorige eeuw). En dat bovendien een kleinere kleurruimte heeft dan de moderne uitvoerapparaten.

In Nederland is men zó eigenwijs dat zelfs een kwaliteitsverbetering bij velen 'te diep ingrijpt' in de workflow. 'Wij hebben toch vroeger ook altijd met stoommachines, olielampjes en geitenwol gewerkt...?’ De toeleveranciers, de goede daargelaten, vinden het helaas allemaal wel best, gestaag ruisend schuiven de dozen eeuwenlang over de toonbank.

Omdat innovatie een continu proces is heeft bijscholing ook een continu karakter, wil de fotograaf bij de les van deze tijd blijven. Natuurlijk moet je niet boven op iedere ontwikkeling duiken, veel van de noviteiten hebben het uiteindelijk nooit gehaald. Maar de hamvraag verandert nooit: 'Hoe gemakkelijk wil je jezelf er van af maken als fotograaf...?'