Diane Arbus

Een mooie monografie over Louis Faurer

Een keuze uit
Gepubliceerd: 27 januari 2017

In deze maandelijks terugkerende rubriek geven we een selectie van min of meer recent verschenen fotoboeken die we graag onder de aandacht brengen. Steeds wordt minstens één van de vermelde titels nader belicht. Deze keer viel de keuze op de monografie Louis Faurer.

The New York School of Photography. Onder die noemer worden fotografen gerangschikt die tussen eind jaren dertig en begin jaren zestig actief waren in New York en vooral de stad en haar bewoners als onderwerp hadden. Het waren fotografen die niet op de laatste plaats de kost verdienden bij tijdschriften maar letterlijk de straat opgingen voor hun vrije werk. Er zitten zulke grote namen bij als Richard Avedon, William Klein, Robert Frank en Lisette Model maar ook minder of amper bekende figuren zoals Ted Croner en David Vestal. Ook Louis Faurer (1916-2001) hoort tot de laatste categorie. Maar gelukkig is er nu een mooie monografie aan hem gewijd, weliswaar bescheiden van omvang, maar dat had hij zelf misschien ook zo gewild.

Faurer, in 1916 geboren in Philadelphia, was 13 toen hij een paar tekeningen stuurde naar Walt Disney en prompt een uitnodiging kreeg voor een nadere kennismaking. Het liep anders. Faurer volgde een opleiding voor 'commercial lettering' en verdiende wat bij met het maken van karikaturen. Rond 1937 begon hij te fotograferen – Walker Evans was zijn grote voorbeeld.

Fotografie langs de Amsterdamse grachten

Een langzame schemering daalt neer over de stad. De auto’s op de gracht hebben al hun te felle koplampen aan, maar ik fiets nog zonder licht. Het is nog láng geen avond, en als je langs de bomen omhoog kijkt zie je dat het niet eens echt donker is; ook de straatlantaarns branden nog niet. Met mijn kleine cameraatje kan ik zonder probleem en hinderlijke flits een foto maken.
Maar ik fiéts al door een foto, realiseer ik me, hier op de Amsterdamse Prinsengracht, die velen alleen van foto’s kennen. Of van een schilderij. Al die van elkaar verschillende grachtenhuizen, auto’s geparkeerd langs het water, de zachte bogen van een door lampjes verlichte brug. Aan de overkant is een heel stuk gracht leeg en kaal – alle bomen daar zijn verhuisd. Er wordt aan de kaden en het wegdek gewerkt, en als ik de grote graafmachine wegdenk, herken ik de gracht zoals je die op een zeventiende-eeuws schilderij ziet, een lege kade, geen hoge bomen of woonboten, en vooral: geen auto’s.

Dit jaar wordt er veel gevierd in Amsterdam: na tien jaar gaat het Rijksmuseum weer open, het Concertgebouw staat er al honderdvijfentwintig jaar, en vierhonderd jaar geleden werd met de bouw van de grachtengordel begonnen. En ik fiets fluitend langs die grachten, als ik kon fluiten tenminste. Meer dromend eigenlijk, half neuriënd slinger ik om auto’s en toeristen heen, en denk aan vroegere avondwandelingen met mijn grootvader die, stevig voortstappend, de handen op de rug, ons eindeloos verhalen vertelde over al die verschillende soorten gevels, en de geschiedenis van de grachtenhuizen.
Het mooie is dat er nu zo veel panden als museum zijn te bezoeken, en, nog mooier, dat er op de Keizersgracht op loopafstand van elkaar zelfs twee serieuze fotografie-musea in prachtige panden huizen. Soms geniet ik er meer van interieur en grachtentuin dan van het daar geëxposeerde, maar dat is een geheim.