Joseph Nicéphore Niépce:
de allereerste foto

View from the Window at Le Gras<br />
foto: Joseph Nicéphore Niépce

Advertentie

Cover Richtprijzen 2019

view counter

Joseph Nicéphore NiépceRond 1500 gaf Leonardo da Vinci al een uitvoerige beschrijving van de camera obscura, maar het was een teruggetrokken levende uitvinder uit een Frans dorpje die als eerste een afbeelding op lichtgevoelig papier wist vast te leggen. Nicéphore Niépce maakte in 1816 vanuit zijn werkkamer de eerste foto van de wereld.

Om twaalf uur ’s middags is het bijna helemaal stil in Saint-Loup-de-Varennes, een dorp een paar kilometer voorbij Chalon-sur-Saône langs de route nationale naar Lyon. Ook in kleur is het een verstilde plek; de ongeplaveide paden, de oude waterput, de muren en daken van de huizen hebben allemaal dezelfde tint.
Het enige leven speelt zich af in het wegrestaurant, waar stevige vrachtwagenbestuurders in afwachting van hun lunch schijven stokbrood verkruimelen. Niemand kijkt naar de kleurige bloemen op tafel. Aan de overkant, dwars op de weg en verscholen achter een bemoste muur en bomen, staat een twee verdiepingen hoog landhuis, met erkerramen in het puntdak en een in later tijden bijgebouwd torentje. Het doodlopende straatje aan de achterkant van het huis is genoemd naar de vroegere bewoner: rue Nicéphore Niépce.

Door de zon getekend

Eind achttiende eeuw troffen hier twee broers, om gezondheidsredenen ontslagen uit het leger, elkaar weer op hun landgoed Gras. Hoewel het familiekapitaal door de Revolutie sterk verminderd was, stelde het Claude en Nicéphore Niépce in staat zich opnieuw in een gezamenlijke hartstocht te storten: hun wetenschappelijke onderzoekingen.
Zoals vele anderen in die tijd was Nicéphore Niépce helemaal in de ban van de recentelijk in Frankrijk geïntroduceerde lithografie. Door deze techniek, in 1796 door Alfred Senefelder in Duitsland ontwikkeld, konden van een op steen aangebrachte tekening meerdere afdrukken worden gemaakt. Volgens Niépce waren de stenen die aan de kant van de weg lagen voor reparatie aan de grande route naar Lyon, van precies de juiste structuur voor de steendruk. Samen met zijn zoon Isidore zocht hij de grootste uit, en sjouwde ze naar huis. Uit de stad liet hij een marmerbewerker komen om de stenen te polijsten waarop Isidore tekeningen maakte.
In 1814 verliet Isidore het ouderlijk huis om in dienst te gaan, en Niépce, die zelf niet kon tekenen, zocht nu naar een manier om door zonlicht gevormde afbeeldingen vast te leggen en te reproduceren. De camera obscura, een bekend en populair hulpmiddel voor tekenaars, was al aan Aristoteles bekend, en omstreeks 1500 gaf Leonardo da Vinci als eerste een uitvoerige beschrijving van een voor licht afgesloten ruimte waarin beelden van verlichte voorwerpen daarbuiten door een klein rond gaatje geprojecteerd worden.
Nicéphore, Niépce camera, c. 1820-1830<br />
Musée Nicéphore NiépceNiépce slaagde erin een afbeelding van de tuin die hij vanuit zijn werkkamer zag, in de camera obscura vast te leggen op papier dat met zilverchloride lichtgevoelig was gemaakt. De tinten waren, zoals Claude had voorspeld, omgekeerd. Het lukte hem dit beeld, dat alleen in het donker bewaard kon blijven, gedeeltelijk te fixeren, maar hij kreeg het niet gedaan van dit ‘negatief’ een positieve afdruk te maken.
Op 5 mei 1816 stuurde Niépce zijn naar Parijs verhuisde broer de eerste fotografische afbeeldingen van de wereld en beschreef hem zijn experimenten: “…ik zag op het witte papier alle delen van het duivenhok die vanuit het venster waarneembaar zijn, en een zwakker beeld van de kozijnen van het raam die minder sterk zijn verlicht dan de voorwerpen buiten. Ceci n’est qu’un essai encore bien imparfait; mais l’image des objets était extrémement petite. Het lijkt mij wel bewezen dat het mogelijk is op deze manier te tekenen.”
Op 28 mei kon hij Claude betere afdrukken sturen: om de afbeelding scherper te maken, had hij de diameter van de lens versmald door ervoor een kartonnen schijfje met een kleiner gaatje te plaatsen. Maar het zo verkregen negatief stelde hem teleur. Hij zocht naar een materiaal dat onder invloed van licht wit kleurt, in plaats van zwart zoals de zilverzouten. Niépce experimenteerde met verschillende lichtgevoelige materialen, voorlopig zonder veel succes, tot hij begon te werken met de zwavelhoudende verbindingen die in Syrisch asfalt voorkomen en die de eigenschap hebben onder invloed van licht te verharden. Zo was hij in staat etsplaten te vervaardigen: een bestaande gravure op papier werd met was doorzichtig gemaakt en op een met een lichtgevoelige asfaltlaag ingesmeerde tinnen of glazen plaat blootgesteld aan zonlicht, dat de tekening in de plaat graveerde. De niet door het licht verhardde gedeelten van de tekening spoelde Niépce schoon met een oplossing van terpentijn en lavendelolie, door middel van een zuur werden de lijnen dieper in de plaat gegraveerd. ‘Heliografie’ noemde Niépce dit procédé: door de zon getekend.
De meest perfecte heliografie maakte Niépce in 1826 van een gravure waarop kardinaal d’Ambroise en profil staat afgebeeld. Hij gebruikte een tinnen plaat, omdat het zijn bedoeling was er afdrukken van te laten maken. In datzelfde jaar ontstond de eerste met de camera obscura gemaakte permanent houdbare afbeelding van de natuur, gemaakt met het asfaltprocédé op een tinnen plaat van zestien bij twintig centimeter. Deze direct positieve maar gespiegelde eerste foto van de wereld toont hetzelfde uitzicht van zijn werkkamer dat Niépce beschreef in zijn brief aan Claude van 28 mei 1816, in de tijd dat hij met lichtgevoelig gemaakt papier experimenteerde: links de duiventil met daarnaast de vage vlek die de grote perenboom in de tuin is, in het midden het schuine dak van de schuur en rechts een deel van het landhuis zelf. Omdat de lichtgevoeligheid van asfalt niet erg groot is, had Niépce acht uur belichtingstijd nodig, wat aan de opname te zien is: het zonlicht lijkt van twee kanten tegelijk te komen.

Ontmoeting met Daguerre in Parijs

Aan de quai de l’Horloge op het Île de la Cité in Parijs bestelde kolonel Laurent Niépce in 1826 voor zijn neef in de provincie nieuwe lenzen. Hij drong erop aan dat ze van uitstekende kwaliteit zouden zijn: zijn familielid had ontdekt hoe in de camera obscura gereflecteerde beelden te fixeren. Dit bericht intrigeerde de opticiens Vincent en Charles Chevalier, zij hadden meer van zulke geruchten vernomen; in Engeland waren het Wedgwood en Fox Talbot, en in Parijs hun klant Jacques-Louis-Mandé Daguerre die ook met zilverzouten experimenteerden.
Daguerre was bekend om zijn Diorama, een soort theater waar in de door hem geschilderde decors fantastische lichtprojecties de dag in een nachttafereel veranderden. Ook hij maakte voor zijn perspectivistische schilderijen gebruik van een camera obscura, en ook hij moet hebben gedacht hoe mooi het zou zijn als de afbeeldingen van de natuur zich direct op het papier lieten vastleggen.
Daguerre was in alle staten toen hij van Charles Chevalier hoorde over de resultaten van die onbekende, teruggetrokken in de provincie levende onderzoeker. Nog diezelfde dag schreef hij Niépce, vertelde over zijn eigen experimenten en probeerde vooral uit te vinden wat precies Niépce’s procédé was. Het antwoord dat hij ontving, was beleefd maar zeer vaag. Ook op de brief die Daguerre een jaar later schreef, antwoordde Niépce in weinig onthullende termen.
Louis DaguerrePas in augustus 1827 ontmoetten zij elkaar. Niépce en zijn vrouw, op doorreis naar Engeland waar zijn nu ernstig zieke broer Claude inmiddels woonde, brachten een paar dagen door in Parijs. Daguerre toonde hem zijn Diorama en zijn experimenten, die uit proeven met lichtgevende stoffen bleken te bestaan. Van de Diorama was Niépce zeer onder de indruk, schreef aan hij zijn zoon, “maar wat onze onderzoekingen betreft, is het duidelijk dat zijn procédé totaal verschilt van het mijne”.
In Londen trachtte Niépce, aangezien het hem en Claude niet gelukt was hun andere bevindingen aan de man te brengen, belangstelling voor zijn heliografie te wekken. Maar ondanks bemiddeling van Francis Bauer, Fellow of the Royal Society, bleef erkenning uit: Niépce, voorzichtig als hij was, gaf de geheimen van zijn ontdekking slechts gedeeltelijk prijs. In februari 1828 vertrok hij, teleurgesteld, weer terug naar Frankrijk. Aan Francis Bauer schonk hij de heliografieën, reproducties van gravures, die hij bij zich had, en zijn enige echte opname van de natuur, de foto van het uitzicht van zijn kamer op het landgoed Gras. Broer Claude stierf een paar dagen na zijn vertrek.

Compagnons

In 1829 ontdekte Niépce dat het contrast van de opname verhoogd werd door de damp van iodine, en hij schreef naar Daguerre in Parijs. De teleurstelling in Engeland en financiële problemen hadden hem toegankelijker gemaakt voor diens toenaderingen. In december van dat jaar gingen zij een compagnonschap aan, de Association Niépce-Daguerre, waarbij Niépce zijn procédé van lichtgevoelige platen onthulde, en Daguerre de vernieuwingen die hij voor de camera obscura had uitgedacht. Daguerre’s camera was de eerste die van metaal gemaakt was, maar met de nieuwe meniscuslens waarop Niépce zijn hoop gevestigd had, werden toch niet de verwachte resultaten bereikt.
Apart van elkaar, in Parijs en in Saint-Loup-de-Varennes, zetten zij hun onderzoekingen met iodine voort, alleen per brief hadden zij nog contact. Joseph Nicéphore Niépce stierf plotseling op 5 juli 1833, verarmd en gedesïllusioneerd. Zijn weduwe moest het landgoed verkopen.
Daguerre zette de experimenten met iodine voort. Niépce’s zoon Isidore nam in het compagnonschap zijn vaders plaats in, en hoewel hij geen deel had in de verdere onderzoekingen, ontpopte hij zich als een fervent verdediger van zijn vaders rechten, die Daguerre, met zijn gevoel voor publiciteit, steeds meer leek te claimen.
Nooit helemaal opgehelderd is het toeval waarbij Daguerre een mogelijkheid ontdekte om een slechts kort belicht, nog niet zichtbaar beeld te ontwikkelen. Op een kort belichte geïodeerde plaat bleek zich na blootstelling aan kwikdamp een beeld te hebben gevormd. ‘Daguerrotypie’ noemde de trotse uitvinder zijn procédé. In januari 1839 maakte hij zijn uitvinding bekend. Deze berichten alarmeerden Henry Fox Talbot in Engeland, die op 31 januari ook de uitvinding van de fotografie claimde. Het eerste bruikbare negatief/positief procédé staat op zijn naam; Daguerre’s snel populair wordende Daguerrotypieën waren slechts eenmalig.
Maar Daguerre wist zich verzekerd van de interesse van François Arago, lid van de Académie des Sciences, die in de uitvinding niet alleen een artistiek en commercieel voordeel zag, maar ook een triomf voor Frankrijk. Door zijn toedoen werd Daguerre’s vinding, die hij –  zoals Francis Bauer in Engeland en Isidore Niépce niet nalieten te benadrukken –  nooit zonder voorkennis van Niépce’s procédé had kunnen ontwikkelen, door de Franse staat aangekocht en op 19 augustus 1839 aan de wereld aangeboden. Iedereen kon nu kunstenaar zijn en ‘tekenen naar de natuur’.

Op een eenvoudig plein in Chalon-sur-Saône, uitkijkend over de rivier, staat het standbeeld van Joseph Nicéphore Niépce, afgebeeld als was hij een napoleontische held. Op een paar passen afstand, in de voormalige Messageries Royales, vanwaar een postkoets naar Parijs ooit de eerste foto van de wereld meevoerde, is nu het Musée Nicéphore Niépce gevestigd. Alle denkbare camera’s van de laatste honderdvijftig jaar zijn daar te bewonderen: de eerste, houten camera, de in een stropdas te verbergen spionnencamera, de laatste computergestuurde modellen.
Langs de weg van Chalon-sur-Saône naar Lyon, even voorbij het landgoed Gras, staat een hoge witbetonnen muur, waarop de tekst ‘Dans ce village Nicéphore Niépce inventa la photographie en 1822’ goed moet maken wat iedereen vergeten lijkt. De datum 1822 verwijst naar een brief van Claude Niépce uit juli 1822, waarin hij schrijft over een heliografie van zijn broer als een “point de vue que j’ai eu grand plaisir à me rappeler”.

De hoge bomen van Niépce’s tuin maken iedere vergelijking met die eerste foto van de wereld – in hedendaagse ogen bijna een abstract schilderij – onmogelijk. Over de spoorbaan aan de andere zijde van het landhuis raast een trein, door een open raampje steekt een Japanse duizendmillimeter telelens: Niépce’s landschap wordt in een achtduizendste seconde gevangen.

Dit artikel verscheen eerder in het themanummer Franse geschiedenissen, in Intermediair nr. 21, 26 mei 1989.

view counter