Journalisten winnen zaak tegen DPG

Blog Het Recht NL
Gepubliceerd: 13 november 2019
Onder redactie van Mr. Kitty van Boven

afbeelding 28Op 1 november 2019 deed de kantonrechter van rechtbank Amsterdam uitspraak in de spraakmakende zaken van de heer Rogier tegen DPG (voorheen de Persgroep) en mevrouw Van Uem tegen DPG.[1] De NVJ spreekt over een historische uitspraak.[2] Deze zaken gingen over het recht op een billijke vergoeding van (foto)journalisten die als freelancer werken voor regionale media. In deze bijdrage zal ik eerst de wettelijke grondslag en vervolgens de overwegingen en beslissing van de rechter bespreken, daarna komen de meningen van de betrokken partijen aan bod en tot slot zal ik een korte samenvatting van de kwestie geven. Zie voor een uitgebreide beschrijving van het eerdere verloop van deze kwestie de bijdrage van de heer Nijkerk.[3]

De wettelijke grondslag voor de vorderingen van de journalisten is art. 25c Aw, een van de nieuwe artikelen uit de wet Auteurscontractenrecht 2015.[4] Het eerste lid van dit artikel luidt als volgt:

“De maker heeft recht op een in de overeenkomst te bepalen billijke vergoeding voor de verlening van exploitatiebevoegdheid.”

In het tussenvonnis dat is besproken in de eerdergenoemde bijdrage van de heer Nijkerk, gaf de rechter aan dat het voor de bepaling of een vergoeding al dan niet billijk is, relevant is wat een freelancejournalist per uur – of eigenlijk per foto of woord – aan een opdracht verdient.[5]

view counter

In de beoordeling laat de rechter in het eindvonnis vervolgens drie verschillende aspecten meewegen. Ten eerste wat journalisten in loondienst voor datzelfde werk verdienen. Ten tweede wat er qua tarieven gebruikelijk is in de markt. In het tussenvonnis gaf de rechter eerder aan vooral op dat punt nog onvoldoende zicht te hebben. Ten derde de ongelijkwaardige onderhandelingspositie van individuele freelancers ten opzichte van grote exploitanten zoals DPG Media.

De rechter oordeelt dat de huidige tarieven niet billijk zijn. De tarieven worden daarom met (ongeveer) 50% verhoogd. Dat komt neer op zo’n € 300,= aan aanvullende vergoeding in beide zaken.

In de zaak van Van Uem bepaalt de rechter deze aanvullende vergoeding door vast te stellen dat een ervaren journalist dergelijke artikelen in 3 uur moet kunnen schrijven. DPG heeft namelijk aangevoerd dat een andere ervaren journalist vergelijkbare artikelen schreef in ongeveer 2,5 uur, Van Uem deed daar echter 4 uur over. Deze tijdsbesteding is van belang omdat zoals eerder besproken relevant is – voor het bepalen van een billijke vergoeding – wat een freelancejournalist per uur aan een opdracht verdient. Het tarief dat de rechter billijk acht is 21 cent per woord. Dat is gelijk aan de maximale vergoeding die DPG hanteert voor ervaren journalisten bij regionale bladen zoals in de onderhavige kwestie.

In de zaak van Rogier maakt de rechter zijn overwegingen minder concreet. De rechter geeft in zijn overwegingen aan dat Rogier gemiddeld 2 uur bezig is met het maken van een foto. Mochten er meerdere foto’s worden gebruikt n.a.v. een opdracht dan wordt daarvoor een aanvullende vergoeding van 50% per aanvullende foto betaald, maar Rogier heeft daarop geen invloed. De rechter acht een vergoeding van € 63,- billijk. Deze vergoeding is redelijk in lijn met de door partijen in het kader van de bewijsopdracht aangeleverde tarieven (van zo’n € 61,= tot € 75,=) die onder punt 4 t/m 8 van de uitspraak worden besproken.

De toegewezen bedragen zijn lager dan de vorderingen van de journalisten. Met een snelle rekensom kom ik op de volgende gevorderde bedragen uit.

In de zaak van Rogier is een vergoeding van € 150,= per foto gevorderd waarvan € 42,= reeds is voldaan voor 13 foto’s voor een totaal bedrag van € 1.404,= De volledige vordering – zoals benoemd in het tussenvonnis – bedraagt € 1.698,84 waarschijnlijk door vermeerdering met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

In de zaak van Van Uem is een vergoeding van € 0,49 per woord gevorderd waarvan € 0,13 reeds is voldaan voor een totaal van 3826 woorden voor een vordering van € 1.377,36. De volledige vordering – zoals benoemd in het tussenvonnis – bedraagt € 1.666,61 waarschijnlijk door vermeerdering met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

Toch lijken de heer Rogier en mevrouw Van Uem blij met de uitspraak. Ik denk dat dat het geval is omdat de rechter met zijn uitspraak erkent dat de huidige praktijk onbillijk is voor de journalisten. Ik zal hieronder hun verklaringen over de uitspraken citeren.[6]

Britt van Uem, freelance journalist:

‘Ik ben heel blij dat ook de rechter heeft geoordeeld dat freelancers op dezelfde manier gewaardeerd en gehonoreerd moeten worden als hun collega’s in vaste dienst die hetzelfde werk doen, en bijdragen aan de winst van DPG Media (voorheen De Persgroep).’

Ruud Rogier, freelance fotojournalist:

‘Fijn dat de boodschap begrepen is. Journalistiek werk, in woord of beeld, door zelfstandigen gemaakt behoort billijk te worden vergoed. Zo staat dat in de Wet Auteurscontractenrecht 2015. Fijn dat de strijd; samen gevoerd met de NVJ/NVF tot deze uitspraak heeft geleid. Fijn voor alle zzp’ers en ondernemers in de journalistiek dat zij de wet aan hun kant vinden bij het generen van een inkomen uit geleverd werk. Deze uitspraak is een positieve ontwikkeling in het herstel van een scheve verhouding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer.’

Ook Bart Verkade, zakelijk directeur van DPG Media heeft zich over deze uitspraken uitgelaten. Hij verklaart als volgt:[7]

“DPG Media zal de overwegingen in het vonnis bestuderen en overwegen of het nodig is in hoger beroep een uitspraak te vragen. Tegelijk onderzoeken wij op welke manier dit vonnis van invloed zou zijn op de werkwijze bij onze regionale media. Regionale journalistiek is van belang voor DPG Media en wij investeren in de toekomst daarvan, met journalisten in vaste dienst en freelancers. Het is belangrijk voor alle betrokkenen dat ook regionale journalistiek rendabel blijft. Wij zullen ons blijven inzetten daarvoor een toekomstvast model te behouden.”

De NVJ is op 1 november 2019 gestart met de onlinecampagne “fotojournalistiek heeft een prijs”.[8] Deze onlinecampagne is een voortzetting van de campagne die door de NVJ in oktober 2018 is gestart. Die campagne is onder andere bekend door de actiedag van 25 januari 2019.[9] Ik verwijs u naar de website voor meer informatie over deze campagne: www.nvj.nl/fotojournalistiek-heeft-prijs.

Te stellen valt dat deze uitspraken de onderhandelingspositie van freelancejournalisten hebben versterkt. Gezien de hoogte van de vorderingen staat er tegen deze uitspraken waarschijnlijk geen hoger beroep open op grond van art. 332 lid 1. Toch bestaat er een kans dat DPG de uitspraken via een andere weg – zoals bijvoorbeeld cassatie – laat toetsen.

Al met al zijn in deze bijdrage de spraakmakende zaken tegen DPG besproken. De rechter oordeelt dat de tarieven die door DPG werden gehanteerd in deze zaken niet billijk waren. De tarieven worden daarom met (ongeveer) 50% verhoogd door de rechter.

Ik zal de verdere ontwikkelingen met belangstelling volgen.

view counter