Rumag & Lubach

Blog Het Recht NL
Gepubliceerd: 4 september 2020
Onder redactie van Mr. Kitty van Boven

portret van Bas ReijneEind maart 2020 bracht het VPRO programma Zondag met Lubach een spraakmakend item uit over het bedrijf Rumag.[1] Hierdoor ontstond grote ophef, waardoor o.a. Rumag-topman Thijs van der Heide per direct zijn functie heeft neergelegd.[2] Rumag wordt in het item o.a. beschuldigd van het overnemen van diverse teksten. In het item werd daarnaast kritiek geuit op de ‘Corona Collectie’ die Rumag uitbracht voor het goede doel, maar vermoedelijk met een ruime winstmarge.[3] Een van deze shirts, namelijk met de bedrukking ‘ik geloof in jou en mij’ werd uitgebracht in samenwerking met Chantal Janzen.[4] Aan het einde van het item introduceerde Lubach zijn eigen shirt waarvan 100% van de winst naar het goede doel gaat.

Hierbij een afdruk van de shirts:[5]

2 shirts uit de Corona collectie van Rumag
Shirts van Rumag, uitgebracht in samenwerking met Chantal Janzen 

Lubach toont shirt
Het shirt dat Arjen Lubach lanceerde. © VPRO 

Advertentie

Het nieuwe richtprijzenboekje 2019 is uit!

Het richtprijzenboekje dient behalve voor prijsindicatie ook als richtlijn in gerechtelijke procedures bij toewijzing van honoraria en schadevergoedingen bij geschillen. De richtprijzen zijn gebaseerd op onderzoek naar het prijspeil voor publicatie en productie. Bij de prijsberekening worden behalve resultaten van binnenlands onderzoek ook de prijzen van (EU) beheersmaatschappijen zoals het Belgische Sofam meegenomen.

Klik hier voor meer informatie
of om het boekje te bestellen
.

view counter

Dit shirt van van Lubach lijkt sterk op het shirt van Rumag dat werd uitgebracht in samenwerking met Chantal Janzen, ze zijn o.a. beide zwart met witte belettering. Ook zijn er enige verschillen te herkennen, zo zijn de punten die Rumag na ieder woord plaatst veranderd in komma’s en is de bedrukking Rumag en haar logo veranderd in Lubach met zijn logo. Op deze manier drijft Lubach de spot met Rumag. Daarbij is een exceptie uit het auteursrecht relevant, namelijk de parodie. In deze bijdrage wil ik eerst kort ingaan op de jurisprudentie over de parodie, die daarna toepassen op deze casus en tot slot een conclusie trekken.

De parodie-exceptie is een van de beperkingen van het auteursrecht.[6] Dat wil zeggen dat er voor het gebruik van het auteursrechtelijke werk in een parodie geen voorafgaande toestemming is vereist en er dus ook geen sprake is van een inbreuk, ook al lijkt het dat er aan alle voorwaarden voor een inbreuk op het auteursrecht is voldaan. De parodie vindt zijn wettelijke grondslag in art. 18b Auteurswet. Dit artikel luidt als volgt:

“Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de openbaarmaking of verveelvoudiging ervan in het kader van een karikatuur, parodie of pastiche mits het gebruik in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is.

Het begrip parodie is nader uitgewerkt in de jurisprudentie.[7] Het belangrijkste arrest op dit punt is Deckmyn – Erven Vandersteen (Suske en Wiske parodie) In dit arrest verklaart het Europese Hof van Justitie voor recht dat:

(…) moet aldus worden uitgelegd dat de wezenlijke kenmerken van de parodie erin bestaan dat, enerzijds, een bestaand werk wordt nagebootst doch met duidelijke verschillen met het bestaande werk en, anderzijds, aan humor wordt gedaan of de spot wordt gedreven. Het begrip „parodie” in de zin van deze bepaling dient niet te voldoen aan zodanige voorwaarden dat de parodie een ander eigen oorspronkelijk karakter vertoont dan louter duidelijke verschillen met het geparodieerde oorspronkelijke werk, redelijkerwijze aan een andere persoon dan de auteur van het oorspronkelijke werk zelf kan worden toegeschreven, betrekking heeft op het oorspronkelijke werk zelf of de bron van het geparodieerde werk vermeldt.

Voor een beroep op deze exceptie zijn dus ten minste twee vereisten:

  1. Een bestaand werk wordt nagebootst doch met duidelijke verschillen;
  2. Aan humor wordt gedaan of de spot wordt gedreven.

Het is de vraag of het shirt van Rumag überhaupt aan de vereisten voldoet voor auteursrechtelijke bescherming.[8] Mocht dat het geval zijn dan lijkt mij dat dat werk door Lubach is nagebootst met duidelijke verschillen zoals de komma’s in plaats van punten en de bedrukking. Aan de eerste voorwaarde lijkt te zijn voldaan.

Ook aan de tweede voorwaarde lijkt te zijn voldaan. Rumag wordt immers beschuldigd van het overnemen van teksten, en dat is precies wat Lubach hier heeft gedaan. Daarnaast drijft de parodie de spot met het origineel, dat is geen vereiste, maar sterkt wel de positie van Lubach.

Blijkens het arrest is er soms grondslag voor een belangenafweging en kan alsnog sprake zijn van een inbreuk als aan die voorwaarden wordt voldaan. De ‘maker’ van een parodie heeft daarbij de vrijheid van meningsuiting aan zijn kant. Daartegenover zal een groot belang van de maker van het origineel moeten staan, alleen het auteurs- en of persoonlijkheidsrecht zal daarvoor onvoldoende zijn (dat zou immers de hele exceptie buiten spel zetten). Dat kan volgens het arrest bijvoorbeeld het geval zijn bij discriminerend gebruik. Ik herken in de onderhavige casus echter niet zo’n soort grondslag. Voor deze casus maakt die belangenafweging mijns inziens dus geen verschil.

Al met al is in deze bijdrage de parodie exceptie besproken aan de hand van het recente voorbeeld van Lubach – Rumag. Daarbij zijn eerst de voorwaarden voor de exceptie gegeven en vervolgens toegepast op de casus.

view counter